Beste vrienden,
Vandaag rijden we van Varmahlíð naar Laugar, ons volgende logeeradres. Behalve genieten van het prachtige landschap in het Noorden van IJsland, bezoeken we onderweg ook een aantal bezienswaardigheden naar keuze. Je kan in twee weken lang niet alles zien, maar onze keuze is een gelukkige, al hebben we onderweg flink profijt van de ruitenwissers op onze 4X4 wagen.
Bij Glaumbær is het Turfhuizen Museum gevestigd. De Vikingen die vanuit Scandinavië naar IJsland kwamen, bouwden het liefst in hout. Maar omdat dit bouwmateriaal in geringe mate voorhanden was, werden de huizen gebouwd met muren van turf. Hoogstens was de gevel van hout.
De Baðstofa was oorspronklijk de badkamer, maar werd later gebruikt als kamer woon/slaap/eetkamer. Hoeveel bewoners er ook waren, er was één Baðstofa, want stoken was peperduur.
In de negentiende eeuw werden er wel huizen van hout gebouwd, maar dat werd geïmporteerd en dat was duur. Het was dus de moeite waard om als je ging verhuizen, je eigen huis gewoon mee te nemen. Het werd uit elkaar gehaald en verderop weer opgebouwd. Indien nodig werd het zelfs verscheept.
Het kleine grijze huisje van het museum is na vele omzwervingen hier bij het museum terechtgekomen. Het was overigens van een plaastelijke notabele. Turfhuizen waren tot in de twintigste eeuw algemeen. De laatste exemplaren gelden nu als erfgoed. Ze worden niet afgebroken, maar naar veiliger oorden 'verhuisd'. Overigens hebben turfmuren niet het eeuwige leven, om de zoveel jaren moeten ze vernieuwd worden. Maar ach, in het veen kijkt men niet op een turfje.
Bij Skagafjörður ligt nog een schattig kerkje van turf uit de zeventiende eeuw: Grafarkirkja. Grafar betekent turf in het IJslands.
Het plaatsje Siglufjörður was vroeger het centrum voor de haringindustrie op IJsland. De haring werd gevangen, gezouten en in houten tonnen geëxporteerd. Ook werd de vis op grote schaal verwerkt tot vismeel en olie (levertraan). Siglufjörður herbergt tegenwoordig een alleraardigst haringmuseum, waar op smeuïge wijze de geschiedenis van de haringvangst wordt verteld.
In het haringseizoen kwamen uit alle streken van IJsland de haringmeisjes helpen om de vissen te kaken en in te zouten. Die haringmeisjes logeerden in slaap/woonzaaltjes in het rode Roaldsbrakki (waar de haring werd gezouten).
In het botenhuis bevindt zich nog een antieke haringtrawler. Je kan een kijkje aan boord nemen, bijvoorbeeld in het vooronder, waar de bemanning huisde. Er waren geen patrijspoorten, alleen een koekoek.
De hoogtijd van de haringindustrie is lang voorbij (overbevissing), en de visserij heeft zich na het herstel van de haringstand verplaatst. Wat hier in Siglufjörður rest is dit leuke museum.
Rond het jaar 1000 bekeerden de IJslanders zich tot het Christendom. Thorgeir Thorkelsson, die op weg naar zijn huis bij Ljósavatn langs de grote waterval kwam, gooide als blijk van zijn bekering zijn heidense afgodsbeelden in het water. Die heet sindsdien Goðafoss (waterval van de goden). Ondertussen komt er zwaar weer aanwaaien. We houden het niet droog de komende dagen. Maar we mogen niet mopperen, tot nu toe hebben we mazzel gehad.


















Geen opmerkingen:
Een reactie posten